Minga

Aanhoudend automatiseren (1)

Uit onderzoek blijkt dat voetbalspelers in een partijvorm van 7 tegen 7 tweemaal zoveel de bal raken als in een wedstrijd 11 tegen 11. En dat ze in 5 tegen 5 viermaal zoveel de bal raken als in 7 tegen 7. Er zijn ook grote verschillen tussen 5 tegen 5 en 8 tegen 8: in 5 tegen 5 worden er gemiddeld vijfmaal zoveel doelpunten gemaakt, driemaal zoveel dribbels uitgevoerd én is de concentratie van de keeper drie tot vier keer groter.

Dit zijn zaken die in sterke mate het leervermogen bevorderen en voor meer succesbeleving en dus meer spelvreugde zorgen bij elke speler. Op zich is dat geen groot nieuws. Iedereen die als voetbalcoach in de praktijk staat, ervaart dat zelf op training. Tegenwoordig wordt er heel veel cijfermatig bijgehouden, dus kan je veel van deze voorbeelden terugvinden. Maar de vraag is altijd: wat doe je met deze informatie? Hoe gebruik je ze in jeugdopleiding het best met het oog op een zo goed mogelijk resultaat, rekening houdend met de ontwikkeling van de speler in de verschillende stadia?

Aanhoudend automatiseren

Het eindproduct is de wedstrijd 11 tegen 11, een spel dat door 22 spelers gespeeld wordt op een veld met een langere verticale afstand (100 à 110 meter) dan zijn horizontale breedte (50 à 65 meter). We vertrekken vanuit dat gegeven om een leeromgeving te creëren die toewerkt naar dat eindproduct.

Drie van de vijf elementen die je daarvoor kan gebruiken zijn een verticale speelrichting, gedifferentieerde spelersaantallen en aangepaste afstanden. Dat kan je toepassen bij alle leeftijden, zowel op training als in de wedstrijd.

Het uitgangspunt is dat je een omgeving wil creëren die aangepast is aan het cognitief leervermogen van het kind en rekening houdt met de fysieke ontwikkelingen die elk kind op zijn tempo doormaakt.

Elk kind ontwikkelt zich anders, dus dat is zeker geen evidente oefening. Maar leren vraagt aandacht en tijd en daarom is het belangrijk om het in bepaalde functies te ondersteunen en te begeleiden om die stappen zo vlot mogelijk te kunnen zetten.

Vanuit dat idee lijkt de context waarin wordt geleerd het best zoveel mogelijk op de context waarin de spelers het geleerde moeten toepassen. Want het is gemakkelijker om herinneringen op te halen in dezelfde context als deze waarin je de nieuwe vaardigheden leerde. Vanop afstand lijkt dat misschien een banaal gegeven, maar vanuit het brein gezien is het dat niet.

Alle situaties die vaak voorkomen of die belangrijk genoeg zijn, worden bij voorkeur geautomatiseerd. Want wat je automatisch doet, dus onbewust, kost minder energie. Dat komt mooi uit, want onze capaciteit voor bewuste aandacht is klein.

Iets wat gedurende jaren geautomatiseerd werd in een horizontale speelrichting in 8 tegen 8 omscholen naar iets geheel anders vergt veel inzicht, energie en tijd. Van de coach en van de speler. Het verzwakken of helemaal laten verdwijnen van die gedurende jaren opgebouwde sterke hersenverbindingen duurt in het algemeen heel lang. De vraag is misschien zelfs wel of dat wat al die tijd geautomatiseerd werd nog wel echt af te leren is. Het komt er immers op neer dat je nieuwe gedachten en gewoontes gaat creëren.

Dit lastige proces staat dan nog los van de te belopen afstanden (fysiek) en de overbrugging van de passingafstanden (technisch). Dat heeft ook weer invloed op het denken. Want als een speler daarbij te veel moeilijkheden ervaart, beleeft hij geen succes of plezier en ebt zijn zelfvertrouwen mogelijk weg. Dat staat het leerproces weer in de weg.

keyboard_arrow_up

{{ popup_title }}

{{ popup_close_text }}

x